Albert Jan Kruiter, Instituut voor Publieke Waarden

‘Lagere kosten zijn heel overtuigend’

 

Gemeenten betalen sinds de decentralisaties tachtig procent van de kosten in het werk- en zorgdomein. Dat zou ruimte moeten bieden voor maatwerk, stelt Albert Jan Kruiter, oprichter van het Instituut voor Publieke Waarden. Maar om maatwerk te krijgen moet je stevig in je schoenen staan. Want regels knellen en verkokering hindert. “Er is één argument dat iedereen begrijpt: de euro.”

 

Kruiter begint met een lesje geschiedenis. Tot het einde van de achttiende eeuw hadden steden zelf helemaal de regie over het  sociale domein. Om er als burger bij te horen had je de plicht om je in te spannen voor de samenleving.  Mensen die niet zelfredzaam waren werden lokaal geholpen vanuit menselijkheid en liefdadigheid. Op enig moment heeft Thorbecke de autonomie bij die gemeenten weggehaald. “Zijn stelling was: ‘We hebben veel arme mensen en die hebben geen ruimte voor burgerschap. De sociale kwestie is zo groot, dat moeten we landelijk oplossen’. En zo werden gemeenten de facto uitvoeringsorganen. Met bijpassende bureaucratie.”

 

Ongewenste praktijken

Nu zorg en werk en inkomen vergaand zijn gedecentraliseerd, is er ruimte voor maatwerk. Want terwijl beleid is gedecentraliseerd, is niet het totale budget meeverhuisd. Dus gemeenten zijn erbij gebaat om financieel slimme oplossingen te vinden.

“Maar maatwerk is niet vanzelfsprekend”, zegt Kruiter. “Iedere medewerker heeft zijn eigen verantwoordelijkheden, taken, richtlijnen. En die knellen soms bij het vinden van oplossingen.” Waar botsen individuen zodanig op structuren dat de regels moeten worden aangepast? Met de weerbarstigste ongewenste en onbedoelde praktijken als belangrijkste bestanddeel, ontwerpt het Instituut voor Publieke Waarden concrete interventies en oplossingen. Na vele praktijkvoorbeelden te hebben gehoord constateert Kruiter: “Ambtenaren moeten uit hun koker komen om oplossingen te vinden. Het helpt de burgers en bespaart de samenleving geld.”

 

‘Daag de gemeente uit

met betere oplossingen’

 

Right to challenge

Kruiter speelt met de drie-eenheid rechtmatigheid, rendement en betrokkenheid. Is een beslissing echt onwrikbaar? Kan het financieel slimmer? En hoe pakt een oplossing maatschappelijk uit? “Er is één argument dat iedereen begrijpt: de euro. Lagere kosten zijn heel overtuigend.”

Op die manier zou je ook mensen aan het werk kunnen helpen die tegen barrières oplopen, denkt Kruiter. Wat gebeurt er als de indicatiestelling voor Chris uit het filmpje niet verandert? Dan betaalt de gemeente nog minstens dertig jaar bijstand en zorgkosten. Terwijl nu investeren in werk op termijn waarschijnlijk veel goedkoper uitpakt.

Laten we daarom meer gebruik maken van onze right to challenge: wie oplossingen heeft die beter zijn dan die van de gemeente, mag de gemeente uitdagen. Kruiter: “En dan liefst niet voor één persoon, maar voor tientallen. Met al uw expertise op het gebied van begeleiding en mensen aan het werk helpen hebt u zeker kans van slagen.”

Arbeidseconoom Ronald Dekker

‘Werkgevers meer verantwoordelijk maken’

 

Leuk hoor, al die financiële overheidsregelingen die werkgevers moeten aanmoedigen mensen ‘met een vlekje’ in dienst te nemen. Maar hoe zorg je ervoor dat de inlenende werkgever en de overheid de kosten en werkgeversrisico’s delen en het toch aantrekkelijk is voor werkgevers om die mensen in dienst te nemen?

 

De Nederlandse arbeidsmarkt heeft zijn eigen dynamiek van vraag en aanbod. Steeds meer mensen werken tijdelijk bij een werkgever of aan een project als zzp’er. “Gelukkig  zijn veel mensen in die flexibele schil op weg naar een vaste baan”, zegt Ronald Dekker, arbeidseconoom bij het instituut ReflecT van de Universiteit van Tilburg. Maar mensen met grote afstand tot de arbeidsmarkt hebben moeite een plek te vinden op de reguliere arbeidsmarkt. “Er wordt van hen verwacht dat ze gewoon meedraaien, maar een vaste baan is ver buiten hun bereik. En na een flexibele baan volgt vaak weer een periode van werkloosheid.”

 

Draaideur van de flex

Zo ontstaat een maatschappelijk dilemma. Dekker: “Je wilt de groep die wél zijn plaats vond in SW-bedrijven-oude-stijl prikkelen de arbeidsmarkt te betreden. Maar dan lopen ze tegen een dichte deur op of komen terecht in de draaideur van de flex. Terwijl ze juist behoefte hebben aan werkzekerheid om goed te kunnen functioneren.”

De oude SW-bedrijven boden die groep met afstand tot de arbeidsmarkt de kans om aan het werk te gaan. Beschut binnen het SW-bedrijf of via detachering bij een reguliere werkgever. “Maar daarbij bleef het werkgeversrisico voor een groot deel van de kosten bij de overheid. Dat past niet bij de huidige politieke beleidsdoelstelling”, aldus Dekker. “Je wilt die inlenende werkgevers ook verantwoordelijk maken en meer in de kosten laten delen.”

 

‘Deze doelgroep heeft behoefte aan werkzekerheid

om goed te kunnen functioneren’

 

Belofte van een baan

Hoe wordt het toch aantrekkelijk voor werkgevers om mensen ‘met een vlekje’ in dienst te nemen? Dekker wijst op best practices. Zo is er de Werkplaats Rotterdam Zuid. In een oude ambachtsschool zijn negen vestigingen van reguliere bedrijven die samen (langdurig) werklozen opleiden en een baan aanbieden. De bedrijven worden financieel gecompenseerd voor het gebrek aan productiviteit, maar verbinden zich wel aan de belofte van een baan. Risico’s brengen ze gezamenlijk onder in de Werkplaats.

 

Nadenken over balans

Een ander voorbeeld dat Dekker noemt is Ferro-fix, een metaalbedrijf dat hoogwaardige producten maakt. Er werken maar liefst 118 SW’ers. “Het formele werkgeverschap ligt nog steeds bij de gemeente Rotterdam. Ik zou graag zien dat de ondernemer zelf meer verantwoordelijkheid krijgt. Zodat werknemers op termijn helemaal in dienst kunnen treden bij het bedrijf. Nu wordt het de ondernemer wel erg gemakkelijk gemaakt. Over die balans moeten we dus nadenken.”

 

Ook een best practice aandragen? E-mail naar r.dekker@uvt.nl