Voor een toekomstgericht onderwijs

Het team van Fioretti College Lisse werkte tijdens de studiedag op 21 januari 2018 aan verbetering van zijn onderwijs. Het onderwijs verandert mee met de maatschappij, waarin ontwikkelingen snel gaan en ongewis zijn, schetst rector Astrid Buijs. Doel is dat een dubbeltje een kwartje kan worden, betoogt bestuurslid Kees Vreugdenhil. Ook de puber lijkt ongewis, maar volgens professor Eveline Crone kunnen we best invloed op hem hebben.

ASTRID BUIJS: ‘Kennis geïntegreerd toepassen’ >>>

KEES VREUGDENHIL: ‘Van dubbeltjes maken we kwartjes’ >>>

PROF. EVELINE CRONE: ‘Puberbrein heeft óók voordelen’ >>>

Voor de toekomst

“Met de letters ‘Fioretti College’, die onlangs op ons gebouw zijn geplaatst, lijkt de school af. Maar de school is nooit af. Onderwijs is continu in ontwikkeling. Waar gaan we naartoe? ‘Het is moeilijk voorspellingen te doen, zeker over de toekomst’, zei de bekende honkbalspeler Yogi Berra ooit. De samenleving verandert snel. Paul Kirschner, hoogleraar onderwijspsychologie, stelt dat we kinderen moeten voorbereiden op nog niet bestaande beroepen. 43% van de mbo-studenten wordt momenteel opgeleid voor een beroep dat dreigt te verdwijnen, zoals verkoper, caissière of receptionist. 65% van de basisschoolleerlingen wordt opgeleid terwijl nog niet bekend is waarvoor. Toekomstbanen zijn bijvoorbeeld: robotcoach, silosloper en identiteitsvinder.

Mensen zullen een leven lang moeten leren. Dat betekent dat iemand in zijn leven twee of drie keer geheel van carrière moet veranderen en omscholen. Mijn kinderen, die pas op hun 72ste met pensioen zullen gaan, moeten dus nog heel wat leren. Grotendeels zijn nu dezelfde vaardigheden nodig als vroeger. De enige vaardigheid die nog niet aanwezig was, heeft betrekking tot digitaliteit.
De boodschap van Kirschner voor onderwijs is, dat kennis niet gaat verdwijnen. We moeten een kennisfundament blijven leggen. We moeten echter kennis meer geïntegreerd toepassen. De kennis moet betekenisvol zijn. We moeten kinderen uitdagen die geïntegreerde kennis toe te passen. Zulke ‘metacognitieve vaardigheden’ zijn belangrijk, maar tegelijk moeilijker in een school in te voeren.”

Astrid Buijs
Rector Fioretti College Lisse

Rector Astrid Buijs over de werkdag ‘Leren en Floreren’.

Van een dubbeltje een kwartje maken

“Wie voor een dubbeltje geboren wordt, zal nooit een kwartje worden. Dit gezegde is al heel oud en ondanks alle goede voornemens en acties uit het verleden, gaat het nog steeds op. De kans dat een kind met lager opgeleide ouders een diploma op de universiteit haalt, is veel kleiner dan een kind met hoog opgeleide ouders. Omdat een hogere opleiding in de regel leidt tot beter betaalde banen en meer mogelijkheden, blijven de sociale verschillen tussen groepen mensen bestaan.”

Slechtere uitgangspositie
“Al vele jaren probeert het onderwijs hier wat aan te doen, maar het is een hardnekkig probleem. Lager opgeleide ouders stimuleren hun kinderen minder om hun best op school te doen – “school, dat is toch niks voor ons soort mensen”. Er wordt in gezinnen met laag opgeleide ouders minder gelezen – en begrijpend lezen is heel belangrijk op scholen – en er zijn minder mogelijkheden om rustig aan je huiswerk te gaan, want de slaapkamer wordt regelmatig gedeeld met broer en zus. Kortom, de uitganspositie van kinderen met lager opgeleide ouders is slechter in het onderwijs.”

Over één kam
“Dat het onderwijs die aanvankelijke verschillen in de gezinssituatie en daarmee in onderwijskansen niet verkleint, heeft te maken met de wijze waarop we ons onderwijs hebben ingericht. Leerlingen worden over één kam geschoren. Als we kijken naar het voortgezet onderwijs, dan zien we dat kinderen van 12 jaar in niveaugroepen worden ingedeeld. Zij worden vervolgens als groep benaderd en krijgen in grote lijnen een gelijk onderwijsaanbod en een vast lesrooster.
Reeds bestaande verschillen tussen leerlingen in motivatie, taalbeheersing, ambitie, toekomstbeelden et cetera worden als gegeven gezien. Zo bepalen die verschillen de onderwijsuitkomsten in belangrijke mate en halen kinderen met lager opgeleide ouders dus minder vaak een hoger diploma. Hoewel dit natuurlijk niet voor ieder kind op gelijke wijze loopt, vormt het wel de grote lijn in het onderwijs.”

Motiverend onderwijsaanbod
“Vanaf mijn komst als nieuwe bestuurder van de Stichting Fioretti Teylingen, SFT, per 1 augustus 2017, heb ik regelmatig met onze medewerkers gesproken over het onderwijs. Ook heb ik een aantal directeuren van basisscholen gevraagd hoe zij aankijken tegen de scholen van de SFT. Naar hun zeggen staan de SFT-scholen in de regio bekend als: scholen waar kinderen een kans krijgen. Met oog op het voorgaande kunt u begrijpen dat ik hiermee blij verrast ben.
Het zit ‘m vaak in kleine dingen: net even wat extra aandacht van een docent of mentor voor een specifieke leerling kan het verschil al maken. Het zit ook in het geheel van de organisatie van het onderwijs op de school: naast de reguliere vakken een extra onderwijsaanbod dat motiverend is voor leerlingen, meer aandacht voor de behoefte van een individuele leerling door extra mentoruren, goede toegang tot gespecialiseerde medewerkers, coaching van leerlingen op eigen leerdoelen et cetera.

Ik zie dat scholen steeds meer bezig zijn voor iedere individuele leerling maatwerk te bieden. Het benaderen van leerlingen als groep wordt steeds minder de norm en wordt vervangen door het aansluiten op de individuele behoefte en mogelijkheden van een leerling. Ik hoop en verwacht dat wij hierop verder blijven ontwikkelen, zodat wij van vele dubbeltjes, kwartjes zullen maken.”

Kees Vreugdenhil
Bestuurder Stichting Fioretti Teylingen

Kees Vreugdenhil over het doel van onderwijs op het Fioretti College.

‘Puberbrein heeft óók voordelen’

School vinden ze saai, hun iPad en mobieltje daarentegen des te interessanter. Pubers lijken niet echt logisch te handelen. Daar kunnen ze niets aan doen maar komt door de ontwikkeling van hun hersenen. Die is echter ook positief in te zetten voor positief lange-termijngedrag. Zo ziet Eveline Crone, hoogleraar neurocognitieve ontwikkelingspsychologie aan de Universiteit Leiden in onderzoeken.

Adolescentie is het proces van opgroeien van een kind tot een volwassen lid van de maatschappij. Ze begint bij de puberteit, die het gevolg is van hormonale veranderingen tussen het 10de en 15de jaar. De puberteit begint een jaar vóórdat de lichamelijke kenmerken zoals borstvorming en baardgroei te zien zijn. De adolescentie eindigt tussen het 22ste en 25ste jaar.
Het eind van de adolescentie is cultureel bepaald. In landen waar je sneller volwassen moet zijn, is dat eerder. In het Westen duurt de adolescentie langer. Hierover is in Nederland discussie. “Enerzijds kunnen jongeren vroeger een rijbewijs halen, anderzijds is er een pleidooi om de subsidie voor pleegkinderen te verlengen, omdat ze op hun 18de nog niet klaar zijn voor de maatschappij”, geeft Eveline Crone als voorbeeld.

Risicogedrag
Niet alleen het lichaam, ook de hersenen veranderen. Tot eind jaren negentig werd gedacht dat die op je 8ste à 9de waren volgroeid; het vervelende gedrag dat erna komt, komt door het puberen. Nu weten we dat de hersenen doorgroeien tot 20 à 25 jaar. Ook hebben de verschillende gebieden van de hersenen andere groeitrajecten. De frontale cortex aan de voorkant van je hoofd– het deel dat je onder andere laat nadenken over jezelf en over verleden, heden en toekomst – ontwikkelt zich als laatste. Dat beïnvloedt het risicovolle gedrag van adolescenten in het verkeer, met roken en alcohol, gokken. Crone: “Dodelijke verkeersongelukken, criminaliteit en experimenteren en drugs en alcohol pieken in de puberteit.”

Actief pleziergebied
Het risicovolle gedrag komt door een veel actievere striatum, het zogenaamde pleziergebied in de hersenen dat bepaalt dat we aardig gevonden willen worden, willen winnen, naar erotiek verlangen, en dorst willen lessen. Het is het oudste deel van de hersenen, ook wel het reptielenbrein genoemd. Met name rond de 13de en tussen het 15de en 17de jaar is deze veel actiever door de hoeveelheid testosteron. “Bij jongens is die maar liefst twintig keer groter dan bij volwassenen”, geeft Crone aan. “Bij meisjes is het moeilijker meetbaar door de hormooncyclus.”
Bij wie activiteit van het striatum groter is, neemt het risicogedrag toe. Dat is te zien in een ballonproef: bij elke keer dat iemand een ballon pompt, krijgt die meer geld, maar als de ballon knapt, is het geld weg. Crone: “Pubers pompen langer door, naarmate ze ook meer testosteron hebben. En mannen meer dan vrouwen, maar zij hadden óók een grotere geldopbrengst; vrouwen zijn meer risico-avers.” Wie meer activiteit heeft in het beloningsgebied en eerder begon te puberen, drinkt meer alcohol.
Omdat het pleziergebied in de puberteit sterker is dan het langetermijndenken, is te betwijfelen of alcoholcampagnes die op langetermijngevolgen wijzen voldoende zijn.

Gulheid
Kun je het plezierdeel inzetten om leerlingen te motiveren om te leren? Uit recent meerjarig onderzoek van de Universiteit Leiden, dat in het wetenschappelijk blad Nature heeft gestaan, blijkt dat bij feedback op eigen gedrag het pleziergebied in de hersenen ook activeert. Mogelijk helpt dit ook motivatie om te leren te stimuleren. De prefrontale cortex werkt namelijk samen met het pleziergebied. Hoe meer de prefrontale cortex geactiveerd wordt, hoe beter na twee jaar de leerprestaties op leer- en rekentaken zijn.

Bij pubers speelt ook de sociaal-emotionele gevoeligheid. Kan die helpen tot positief gedrag? Naarmate jongeren ouder worden, gunnen ze anderen meer wanneer dat voor hen geen gevolgen heeft. 9-jarigen maken nog weinig verschil in gulheid tussen vriendjes, kinderen tegenover wie ze neutraal staan, kinderen die ze niet aardig vinden en volstrekt vreemden. Naar het 18de jaar zijn kinderen steeds meer geneigd wel met vrienden te delen en minder met vreemden. Meisjes zijn dan vrijgeviger dan jongens. Wanneer een jongere iets terug verwacht, is de gulheid groter. ‘Sociaal-affectieve gevoeligheid’ kan ook positief ingezet worden. En wellicht ook cognitief te trainen.

Neuropsycholoog Eveline Crone kwam op de studiedag van het ‘Fio’ Lisse de laatste inzichten vertellen over het puberbrein.