Focus on/op Talent

En nu de praktijk!

De Leidse Aanpak gaat de komende jaren aan de slag met drie hoofdthema’s: 1. ‘Motivatie als motor voor talentontwikkeling’, 2. ‘Onderwijs op Maat voor Talenten’ en 3. ‘Overgang & Aansluiting’. Wat verstaan we onder die drie thema’s? En hoe wordt daar nu al aan gewerkt? Drie voorbeelden uitgelicht van themasessies tijdens de conferentie ‘Focus op/on Talent’, op 6 juni 2018. Deze conferentie vond plaats op verschillende locaties in de Leidse binnenstad, met enkele honderden deelnemers uit het Leidse onderwijsveld.

Thema: Motivatie als motor voor talentontwikkeling

‘Docent: laat zien dat jij je doet’

Talent is één. Maar zonder motivatie ben je nergens. Hoe krijgt een docent of leraar je zover? Dat is een van de hoofdthema’s van De Leidse Aanpak. Met dr. Menno Mennes van de Honours Academy Leiden als trekker.

Mennes heeft van motivatie een meetbaar model gemaakt. Bovenin staan iemands fantasieën. Wie droomt er niet van de nieuwe Roger Federer te worden? Dan sla je wat tennisballen. Driekwart gaat uit. Wat vind je daar zelf van? En wat doe je: opgeven of doorgaan? In het eerste geval ga je weer terug naar die eerste fase en op zoek naar een nieuw doel – het motivatiemodel is cyclisch. In het laatste geval word je ooit geconfronteerd met de mening van een ander.

Burn-out

En nou wordt het interessant. Als jij je eigen prestatie als ‘goed’ hebt inschat – we veranderen Roger even in een proefwerk dat je net hebt gemaakt– is andermans mening veel belangrijker voor je dan als je jezelf maar een prutser vindt. Als je beoordelaar je ook een hoog cijfer geeft, reageer je overenthousiast. Maar wordt het maar een 3, dan ligt een burn-out op de loer.
Dacht je echter zelf ook al aan dat drietje, dan zal het bevestigende – negatieve – oordeel van een ander je een zalige zorg zijn. Zien we de puberjongen in de klas voor ons, benen languit onder de tafel, minachtende blik? Een ongemotiveerder beeld is nauwelijks denkbaar. Maar die zelfoverschatter hierboven heeft ook hulp nodig.

Juiste knop

Veel, zo niet alles, hangt dus af van iemands eigen zelfbeeld en het beeld dat anderen van hem of haar hebben. Waarmee het voor docenten en leraren zaak is daar op een goede manier mee om te gaan en op de juiste knoppen te drukken. Één knop is altijd goed: laat zien dat jij je best doet en geef altijd serieuze feedback aan je leerling. Ook aan die vervelende puber.

Annemarije van Overschot, directeur Samenwerkingsverband Passend Onderwijs VO 2801

‘Écht luisteren’

“Ik krijg hier weer bevestigd dat als je respect hebt voor en écht luistert naar je leerlingen, die motivatie er wel komt. ‘Zie mij, help mij’ zijn signalen die je moet oppakken. Soms moet je je leerlingen dan vertellen dat het leven inderdaad niet altijd leuk of gemakkelijk is. Die ervaring heb ik in het passend onderwijs maar ook bij mijn eigen brugpieper van 13. En ja, daar moet je tijd voor vrijmaken. Misschien ook wel door het programma aan te passen.”

Thema: Grip op onderpresteren (voorschoolse educatie)

‘Hoogbegaafden zijn niet altijd met brilletjes’

Onderpresteren? Hoe herken je dat? En nog belangrijker: wat kan je dan doen? Heidi van der Hoorn, ervaringsdeskundige met drie hoogbegaafde kinderen en specialist in hoogbegaafdheid, komt met de antwoorden.

Volgens Van der Hoorn is het essentieel om onderpresteren en hoogbegaafdheid op tijd te signaleren. “Want niet elke hoogbegaafde leerling is een nerd met een brilletje.” Dus komt het aan op herkennen, erkennen en kennen.” En dat begint al in de groepen 1 en 2. “Bijvoorbeeld door een goede overdracht te regelen tussen KDV/PZL en school”, stelt Van der Hoorn. “Maar ook is het altijd goed om een intakegesprek te houden met ouders. Zij kennen hun kind namelijk het beste. En om een kind de eerste vijf weken te observeren aan de hand van een observatieformulier.”

Verrijking

Wat te doen als er inderdaad sprake is van hoogbegaafdheid? Van der Hoorn: “In dat geval is het allereerst een kwestie van differentiëren. Vraag je daarbij telkens af: wat heb ik dit kind deze week te leren?” Via verrijking van het lesmateriaal bijvoorbeeld. Van der Hoorn: “Dat kan vaak heel eenvoudig met materialen die scholen al in huis hebben. Het is dus heus niet nodig om meteen nieuw materiaal aan te schaffen.”

Samenwerking?

Daar is dan wel wat denkkracht bij nodig. Van der Hoorn: “Zo zou je bij al je materialen de vraag kunnen stellen: zijn er met dit materiaal moeilijkere handelingen mogelijk? Maar ook: is het aantal handelingen uit te breiden? Zijn er aanvullingen van het materiaal mogelijk? Kun je het materiaal ook voor een ander doel gebruiken? Kan de leerling misschien zelf iets ontwerpen met het materiaal? En: zijn er mogelijkheden voor samenwerking met andere kinderen?”

Zwaluwnest

Ten slotte kan je als docent ook aan de gang gaan met hogere orde denkopdrachten. Van der Hoorn: “Schrap dan alle vragen waarop de antwoorden eenvoudig zijn, laat kinderen echt iets nieuws creëren waarin ze kennis creatief moeten toepassen, wees duidelijk in je verwachtingen en leun vervolgens achterover.”
Zo had zij in haar klas aan een groepje kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong gevraagd om een zwaluwnest te bouwen. Met ruimte voor eieren, en hoog genoeg om niet leeggeroofd te kunnen worden. Wat heb je dan allemaal nodig? Van der Hoorn: “Dagenlang waren de kinderen dolenthousiast bezig materialen te verzamelen. En uiteindelijk hadden ze een nest gebouwd, bovenop de poppenhoek. Met veertjes en al. Geweldig toch?”

Frederieck van der Ploeg, IB’er op De Schakel in Leiderdorp

‘Met nieuwe ogen bekijken’

“Ik vind het slim om eerst eens naar bestaande materialen te kijken, en niet meteen nieuwe middelen aan te schaffen voor verrijking. Wat hebben we zelf al in huis? Kunnen we daar meer mee dan we nu al doen? Ik denk dat ik binnenkort eens een middagje inplan met docenten om al het materiaal met nieuwe ogen te bekijken. Maken we er een leuke, inpirerende sessie van.”

Thema: Klaar voor de 21ste eeuw – conatieve vaardigheden

‘Met natuurlijke alleen red je het niet’

In de 21ste eeuw red je het niet met cognitieve vaardigheden alleen. Je zult moeten omgaan met tegenslagen. Kunnen omgaan met anderen. Kunnen interpreteren. Aan die zogenoemde conatieve vaardigheden van leerlingen kun je ‘sleutelen’.

Hoe definieer je talent? Als hoogontwikkelde kennis en vaardigheden op basis van een natuurlijke aanleg van een kind? Of als datgene wat een kind potentieel kan? En waaraan je dus kunt ‘sleutelen’ om het tot wasdom te laten komen? Binnen De Leidse Aanpak gaat de professionele leergemeenschap (PLG) Talentontwikkeling uit van de laatste definitie. De PLG brengt middelen in kaart om het talent in iedere leerling te ontdekken.

Conatieve vaardigheden

Met natuurlijke aanleg alleen red je het niet. Bij het ontwikkelen van talent gaat het ook om gemotiveerd zijn, een onderzoekende houding hebben en het beschikken over een adequaat zelfbeeld. Dat valt allemaal onder de term ‘conatieve vaardigheden’. Vaardigheden die zich – dus – onderscheiden van cognitieve vaardigheden. Volgens Robert Marzano en Tammy Heflebower zijn de cognitieve en conatieve vaardigheden de vaardigheden voor de 21ste eeuw.

Weerbaarheid en optimisme

Conatus is de kracht om verder te gaan, legt Wouter Belier van de PLG Talentontwikkeling uit. Hij verwijst naar het gebruik van de term conatus, zoals filosoof en ethicus Spinoza ‘m gebruikte. “Conatus is de drang om te blijven bewegen. Conatus is datgene waardoor alles en iedereen in stand blijft.”
Conatus is bovendien een mindset. Belier: “Je ziet mensen met heel veel natuurlijk talent, die onderuitgaan omdat ze tegenslagen niet kunnen verwerken. Bij conatieve vaardigheden gaat het bijvoorbeeld om jezelf kennen en beheersen: wie ben ik en wat kan ik. Zie je iets als een uitdaging, of denk je dat je het niet kan? Om talent tot ontplooiing te laten komen moet je proberen negatieve manieren van denken te vermijden. Weerbaarheid en optimisme kan je trainen.” Ook is het begrijpen van interactie belangrijk bij conatus: omgaan met meningsverschillen en interactie. Observeren.

Expeditie Moendoes

Vanuit de brede definitie van talent kan specifiek materiaal dat is ontwikkeld voor hoogbegaafde kinderen voor een bredere groep worden ingezet. Denk aan het Cheetah-boek, dat de gelegenheid biedt om met getalenteerde kinderen in gesprek te gaan over de uitdagingen waar ze tegenaan lopen. Die uitdagingen zijn: hiaten, frustratie, samenwerken, zelfstandig werken, motivatie, geheugen en overtuigingen.
Een ander leermiddel is ‘Expeditie Moendoes’, een spel waarbij leerlingen een andere planeet in kaart brengen. Belier: “Eén van de doelen vanuit talentontwikkeling is dat leerlingen leren om fouten te durven maken en hier juist van te leren. In een spel als dit zullen leerlingen verschillende talenten in zichzelf ontdekken en inzetten.”

Jens Fick, docent aardrijkskunde, Visser ’t Hooft Leiderdorp

‘Over de heg meekijken’

“Iedereen heeft weleens leerlingen in de klas die extra uitdagingen nodig hebben. Een PLG Talentontwikkeling die goed lesmateriaal ontwikkelt en in kaart brengt is waardevol. Zeker als iedereen over de heg kan meekijken. Dat levert docenten tijd op en nieuwe ervaring.
De praktische oefening, waarbij we in gesprek gingen over de vraag: ‘hoe ga je om met tegenslagen’, leidde voor mij tot een vloeiend gesprek. Dat zijn vragen die sturen op je eigen handelen.”

Dit zijn de 3 hoofdthema’s van De Leidse Aanpak

1.

als motor van talent­ontwikkeling

Motivatie speelt een belangrijke rol bij het ontwikkelen van talenten. Dat werkt twee kanten op: zodra mensen activiteiten ontplooien die passen bij hun talent, zullen ze gemotiveerd zijn zich verder te ontwikkelen. Andersom is motivatie nodig om talentontwikkeling op gang te brengen en te houden: motivatie als motor van talentontwikkeling.

2.

Onderwijs op voor Talenten

In de eerste drie jaren van De Leidse Aanpak speelde het Erasmus+ project Talent Education een belangrijke rol in het vergaren en verspreiden van meer kennis van onderwijs voor getalenteerde kinderen/jongeren. In het project werd in het PO en VO gefocust op metacognitieve vaardigheden, praktische differentiatie en Design Thinking. De kennis, ervaring, methoden en materialen die in de afgelopen jaren zijn opgedaan, worden de komende jaren verder ontwikkeld en verspreid onder de professionals in Leiden.

3.

Overgang &

Tijdens de projectperiode van De Leidse Aanpak zijn de eerste stappen gezet in het verbeteren van de verticale samenwerking. De overdracht van VSE naar PO is onderzocht en het advies dat hieruit is ontstaan is doorgegeven aan de werkgroep Jonge Kind van het PPO. De Leidse Aanpak heeft ook een rol gespeeld in de afstemming van de twee pre-HBO projecten van de Hogeschool Leiden en heeft de bestaande PLG’s PO-VO een plek gegeven, waardoor meer scholen gebruik kunnen maken van de materialen die in deze PLG’s ontwikkeld zijn. De komende jaren gaat De Leidse Aanpak de goede voorbeelden van de afgelopen jaren verder ontwikkelen en nieuwe stappen zetten in het vervolg- en hoger onderwijs.