Omgevingswet

 

Nu al aan de slag

Het programma 'Nu al eenvoudig beter' laat zien dat er al gemeenten, provincies, waterschappen, omgevingsdiensten en bedrijven werken in de geest van de Omgevingswet. Ook lopen er al tientallen pilots met instrumenten als het omgevingsplan en de omgevingsvisie.

Botsproef geslaagd, maar nu de praktijk

 

De Omgevingswet wérkt! Althans, volgens de ‘botsproef’ die het ministerie van I&M liet doen met een casus van een te herontwikkelen fabrieksterrein. Rechtszekerheid ging niet ten koste van flexibiliteit, de oplossing was voor iedereen beter, en rijksregels kunnen nóg minder. Zijn we daarmee klaar voor implementatie?

 

Een auto die rechtstreeks van de tekentafel komt, daar laat je ook niet meteen mensen in rijden. Je houdt een botsproef. Dat deed IenM ook met het wetsvoorstel van de Omgevingswet. Vertegenwoordigers van de gemeente, de provincie, de omgevingsdienst, natuur- en milieuorganisaties en bedrijven bogen zich over een praktijkcasus en paste de nieuwe regels en manier van werken volgens de Omgevingswet er op toe. Casus: een oud fabrieksterrein dat opnieuw ingericht moet worden. Bestemming: woningen, bedrijvigheid en recreatie.

 

Knopjes schuiven

Eén van de doelen van de Omgevingswet is meer afwegingsruimte creëren voor decentrale  overheden. Nu is de situatie nog zwart/wit: een plan voldoet wel of niet aan de regels. Onder de Omgevingswet is ze dynamisch. “Het gaat om een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties”, memoreert Selma van Velsen, beleidsadviseur van Eenvoudig Beter bij IenM. “Je gaat in feite met knopjes schuiven. Je hebt misschien ergens meer geluidsoverlast door uitbreiding van een bedrijf. Maar die kun je weer compenseren met meer groen op een andere plek.”

Een andere benadering in deze casus is om na te gaan of de toekomstige bewoners daadwerkelijk last hebben van de bedrijvigheid. Kern is, volgens de bedoeling van de Omgevingswet, te denken in de geest van het omgevingsplan in plaats van de letter.

 

Onderzoekslasten afwentelen

Resultaat van de botsproef is dat de deelnemers positief waren. Wees terughoudend met de instructieregels vanuit het Rijk, zo werd meegegeven. Beperk het tot wat écht het nationaal belang dient. Een ander aandachtspunt zijn de onderzoekslasten. Die moesten volgens de doelen omlaag. Dat gebeurde ook wel in de botsproef. De vraag is echter of ze niet worden afgewenteld op de initiatiefnemer. Dat zou initiatieven kunnen ontmoedigen.

“Blijf focussen op de uiteindelijke gebruikers”, zegt Edwin Oude Weernink, projectmanager bij advies- en ingenieursbureau Antea Group, die de sessie bijwoonde. “Die zaten nog niet bij deze botsproef. Als de burger ziet dat het voor hem eenvoudiger is, dan is dat al winst.”

“We moeten aan de slag”, is Carolien van Doorn, Wabo-coördinator bij de gemeente Veenendaal, duidelijk geworden na de sessie. “2018 is dichtbij. We kunnen nu al een visie ontwikkelen hoe we hiermee omgaan. Ik hoop wel op handreikingen richting de gemeenten. Er komt best veel bij kijken.”

 

 

 

Integrale aanpak: de praktijk is weerbarstig

 

In Oldenzaal was een verouderd bedrijventerrein toe aan herstructurering en revitalisering. Er werd gekozen voor vroegtijdige participatie en een integrale benadering waarin verkeer, bebouwing, milieu en ondergronds ruimtegebruik in samenhang werden opgepakt. Wat in theorie een goede oplossing leek, bleek in de praktijk weerbarstig.

 

 Conflictsituaties

De uitvoering was echter lastig, analyseerde Merlinn van Nieuwkuijk van de gemeente Oldenzaal. “Het ondergrondse ruimtegebruik bleek bij herstructurering een belemmerende factor. Bomen stonden op leidingen. En er lag ergens een glasvezelkabel waarvan niemand vooraf wist. Ook ontstonden er conflictsituaties door verouderde contracten tussen voormalig nutsbedrijven en overheid. De uitvoerend aannemer deed alleen wat hem werd opgedragen. Netwerkbedrijven wilden geen risico’s nemen. En de gemeente moest het allemaal regelen.” Op het gebied van de leidingen heeft zij haar les geleerd: “Bij elk plan maken wij nu op voorhand duidelijk waar bomen moeten komen en waar leidingen.”

Op basis van dit voorbeeld pleiten beide sprekers voor meer aandacht voor het ondergronds ruimtegebruik bij het maken van gemeentelijke omgevingsplannen. Een van de deelnemers aan deze sessie had daar wel een oplossing voor: “Stel gemeentelijk een ‘Verlegregeling’ vast. Zo geeft Rotterdam nutsbedrijven een vastgestelde hoeveelheid geld als zij leidingen moeten verleggen.”

 

Ikea-model

Positief is Van Nieuwkuijk over de betrokkenheid van ondernemers. “Die stelden eigen grond beschikbaar om bomen te planten en een trottoir op te leggen.” De participatie verliep echter moeizaam: “We hebben heel gericht ondernemers bij het project betrokken via brieven en een website. Maar uiteindelijk hebben we toch een aantal ondernemers niet bereikt.” Alle doelgroepen bereiken – en dus niet alleen de usual suspects – is daarom de grote uitdaging voor die participatietrajecten. “Je moet mensen meenemen in het maken van beleid”, reageerde Ron Visscher, adviseur Ruimtelijke Ordening. “Breed laten dromen en die dromen omvormen tot realistische plannen.” Het Ikea-model noemde Visscher dat: “Zelfgemaakt maakt bemind.”

 

 

 

 

139 Experimenten via Crisis- en herstelwet

 

De Omgevingswet stroomlijnt procedures. Doel: eenvoudiger en beter werken aan de fysieke leefomgeving in Nederland. Maar veel is nu ook al mogelijk. Via de Crisis- en herstelwet lopen er al 139 experimenten vooruit op de mogelijkheden van de Omgevingswet.

 

Van die 139 zijn er 30 experimenten met ontwikkelingsgebieden. De rest zijn innovatieve duurzame experimenten, aldus Monique Arnolds, programmamanager implementatie Crisis- en herstelwet van het ministerie van I&M. “Door een gebied aan te wijzen als ontwikkelingsgebied, verbreedt de gemeente de reikwijdte van het bestemmingsplan”,  legt zij uit tijdens de sessie ‘Nu al werken in de geest van de Omgevingswet’. “Met een ontwikkelingsplan kan een gemeente echt sturen op de milieugebruiksruimte. Dit wordt vaak ingezet in gebieden waar men het ruimtegebruik wil intensiveren.” Een ontwikkelingsgebied moet worden aangemeld bij het team van de Crisis- en herstelwet en wordt via een AMvB vastgesteld. Die procedure duurt zes maanden.

 

Samenhangende benadering

Goed voorbeeld is Hemmes in Zaanstad. Hemmes is een schiereiland in de Zaan dat relatief dichtbij industrie ligt. Door het aan te melden als ontwikkelingsgebied onder de Crisis – en herstelwet kan de gemeente de reikwijdte van het bestemmingsplan verbreden naar het milieudomein. En door de bedrijven in het plangebied op te nemen, ontstaat de mogelijkheid om met hen gemaakte afspraken over geur en geluid vast te leggen in het bestemmingsplan-plus. Zo loopt de gemeente vooruit op het omgevingsplan van de Omgevingswet en wordt een meer samenhangende benadering voor de leefomgeving gerealiseerd.

 

Ruimte voor innovaties

Andere voorbeelden die voorsorteren op de Omgevingswet zijn de ‘innovatieve duurzame experimenten’ die bedoeld zijn om bedrijven en overheden de ruimte te geven te werken aan duurzaamheid. Zo was er in Friesland een bedrijf dat de Dutch Rainmaker heeft ontwikkeld: een groot apparaat dat water uit de lucht haalt. Maar er moest wel worden getest of zo’n apparaat werkt. De gemeente Leeuwarden heeft nu voor een hectare grond een koepelvergunning om dit soort innovaties ruimte te geven. Verder is er in Den Bosch een ‘regelvrij’ bedrijventerrein waar windturbines vergunningvrij kunnen worden neergezet, mits ze zijn gecertificeerd. “In de Omgevingswet staat straks een experimenteerartikel die dit soort dingen mogelijk maakt”, aldus Arnolds. “Dus van dit soort initiatieven gaan we na 2018 nog veel meer zien.”

 

 

 

 

 

 

 

1

2

3

4

5

6

7

8

9