'Dat gewone leven dat dwars door die gangen schalt - ontdaan van alle zakelijkheid’

Nico Dijkshoorn sluit de dag af met een ontroerende terugblik. Vier quotes uit zijn bevlogen verhaal waarin hij oproept tot de menselijke maat in de zorg.

 

Stethoscoop

“En ik kijk ondertussen naar een enorme dia met een enorme stethoscoop. Het object dat 48 jaar geleden ijskoud op mijn kinderborst werd gelegd en dat tot een half jaar geleden mijn enige contact met de gezondheidszorg was: de schoolarts. Dat was tot kort de enige zorg die ik heb ontvangen. In een witte onderbroek doodsbang op mijn pols blazend. Terwijl een naar Old Spice ruikende dokter aan mijn lies voelt. Daarna het vertrouwde haakje op de knie, die je hoppa nog twee dagen voelt op het schoolplein. Door deze dag – en daar wordt u voor bedankt - twijfel ik aan alles. Misschien hoefde dat dus helemaal niet, dat op die pols blazen. Daar sturen ze wel een rekening voor.”

 

Collaborateur

“De dagvoorzitter constateert dat het woord fraude nog altijd negativiteit oproept in de discussie. Dat er een sfeertje wordt neergezet, de hakken gaan meteen in het zand als er iets wordt gecontroleerd en het woord fraude valt. Aan mijn tafeltje ontstaat daarna een prachtig ontroerende reflex. ‘Probeer het woord fraude eens te vermijden.’ Zoals het woord collaborateur langzaam veranderd is in ‘mensen die in een moeilijke tijd een wat verkeerde keuze maakten misschien’. Dit zijn de eufemismen die ik langs hoorden komen: ‘Bij het invullen is misschien een vergissing gemaakt of een zekere onzorgvuldigheid.’ Prachtig.”

 

Worstelen

“Maar ik, als patiënt, begrijp helemaal niets van u. Tot vandaag wist ik helemaal niet wat jullie vinden, wat jullie zeggen, hoe jullie eruit zien en hoe jullie worstelen. Dit is wat ik begrijp: u hebt het beste met mij voor, ik vertrouw op u. Maar ik heb niet de indruk dat u met mij wilt communiceren. Het is misschien een boude stelling, maar als patiënt had ik geen idee van deze discussie.”

 

Sluimerend leed

“Ik woon de workshop ‘een kijkje in de keuken van een medisch specialist’ bij. Bij de eerste dia die wordt getoond veer ik op, het is een dia van een personeelsruimte met acht man verplegend personeel op hun afdeling. We zien hun personeelsruimte en ze staan om een tafel heen. En zo ken ik u. Je kijkt eventjes – een seconde maar – de personeelsruimte in en je ziet dit: een verpleegster vertelt op een been een verhaal en de rest van de co-assistenten, de chirurgen, ze lachen uitbundig. Een schaterende lach, keihard over de afdeling vol sluimerend leed. Ik heb het altijd als bezoeker – dat zeg ik er wel bij – als helend ervaren. Het gewone leven dat dwars door die gangen schalt - ontdaan van alle zakelijkheid. Het is misschien vreselijk kinderachtig, maar dit is wat ik wil als ik verzorgd word. Dat u mij niet ziet als een ziek mannetje, maar dat u bijvoorbeeld weet dat ik David Bowie heel goed vind. Maar jullie willen dat ook, toch?”

11