De feiten over integratie

Over integratie zijn er veel meningen. En er zijn feiten. Die feiten komen van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), bij elkaar vergaard in het Jaarrapport Integratie 2016. Maar vervolgens is dan altijd de vraag: hoe interpreteer je ze?

Dit zijn de cijfers

Het CBS presenteerde op 21 november het Jaarrapport Integratie 2016. Vier aspecten uit dat rapport uitgelicht.


1. Migratieachtergrond

Nederland telt 17 miljoen inwoners, van wie er 3,8 miljoen een migratieachtergrond hebben. Zij zijn zelf geboren in het buitenland, of kind van (een) elders geboren ouder(s). In het Jaarrapport Integratie 2016 besteedt het CBS cijfermatig aandacht aan de vier grootste niet-westerse groepen (met een Turkse, Marokkaanse, Surinaamse of Antilliaanse achtergrond), vluchtelingen en westerse herkomstgroepen uit nieuwe EU-landen. De integratie van de diverse herkomstgroepen bevindt zich in verschillende stadia.

Lees hier de feiten over migratieachtergrond.

35-35pag.jpg

2. Arbeidsparticipatie

Tussen 2009 en 2016 is de arbeidsparticipatie van personen uit de vier grootste niet-westerse herkomstgroepen sterker gedaald dan die van personen met een Nederlandse achtergrond. Inwoners van Nederland met een niet-westerse achtergrond behoren minder vaak tot de werkzame beroepsbevolking dan personen met een Nederlandse achtergrond. “Maar kijk je naar de percentages over de jaren heen, dan zie je dat de werkloosheid onder Nederlanders redelijk stabiel is en dat die onder Turken en Marokkanen veel meer fluctueert”, constateert Jan Latten, hoofd demograaf van het CBS. De arbeidsparticipatie van Turken en Marokkanen is gevoeliger voor conjunctuur. Zij hebben relatief vaker een flexibele arbeidsovereenkomst. Mensen met een migratieachtergrond stromen bovendien minder vaak door vanuit een flexibele schil dan personen met een Nederlandse achtergrond.

Lees hier meer over arbeidsparticipatie.

grafiek1.jpg

3. Onderwijs

Basisschoolleerlingen met een niet-westerse migratieachtergrond scoren gemiddeld lager op de Centrale Eindtoets dan kinderen met een westerse of Nederlandse achtergrond. De tweede generatie doet het beter dan de eerste generatie. En de derde generatie weer beter dan de tweede. Zo lopen de kinderen hun achterstand langzaam in.

Niet alleen tussen de generaties, maar ook binnen de generaties niet-westerse leerlingen verschillen de eindtoetsscores. Basisschoolleerlingen van de tweede en derde generatie die een ouder hebben met een Nederlandse achtergrond presteren beduidend beter dan kinderen van wie beide ouders een migratieachtergrond hebben.

Lees hier achtergronden over onderwijs.

pag-50.jpg

4. Criminaliteit

Sinds 2005 is het percentage door de politie geregistreerde verdachten van misdrijven onder alle herkomstgroeperingen bijna gehalveerd. Dat geldt zowel voor personen met een Nederlandse achtergrond als voor personen met een Turkse, Marokkaanse, Antilliaanse of Surinaamse achtergrond. Personen met een Marokkaanse of Antilliaanse achtergrond zijn wel zes keer vaker verdacht dan personen met een Nederlandse achtergrond.

Lees hier meer over criminaliteit.

pag-75.jpg
Meer weten?

Hier vind je het hele rapport integratie 2016

DSC_4133.jpg

Integratiecijfers voer voor discussie

Cruciale rol voor onderwijs

Je hebt meningen en je hebt feiten. Het CBS levert cijfers, zei Jan Latten, hoofddemograaf van het CBS tijdens de presentatie van de Jaarrapport Integratie 2016. Maar hoe het nu staat met de integratie en hoe het verder moet? Dat is een kwestie van interpretatie en overtuiging.

Bij het in ontvangst nemen van het rapport stelde minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dat de cijfers op het gebied van onderwijs en criminaliteit ‘echt goed’ zijn. “Dat is bemoedigend. Maar op arbeidsmarkt gaat het niet goed. Dat is zorgelijk. Integratie gaat over meedoen en erbij horen. Blijkbaar gaat het toch niet goed.”

Sneller
In het debat over het Jaarrapport Integratie 2016 dat volgde op de presentatie, zag Paul Schnabel, oud- directeur van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) en tegenwoordig senator voor D66, een aantal positieve ontwikkelingen. “De situatie van Somaliërs en Eritreërs lijkt niet te verbeteren. Maar bij de Turken en Marokkanen verbetert het wel. En Surinamers zijn zo goed geïntegreerd dat het de vraag is of ze inmiddels de status hebben van Indische Nederlanders. Maar je wilt natuurlijk altijd dat het sneller gaat. Je wilt niet dat er omstandigheden zijn die mensen benadelen in scholing of arbeidsmarkt.”

Uitval groot
Net als Schnabel zag ook Ahmed Marcouch, Tweede Kamerlid voor de PvdA, positieve ontwikkelingen. “Maar ik vind het nog altijd een drama dat de uitval in het onderwijs zo groot is. En ondanks dat veel jongeren met een migratieachtergrond een startkwalificatie hebben, komen ze niet aan de bak, omdat ze onvoldoende gekwalificeerd zijn.”

Taal is belangrijk
Zihni Özdil, columnist in het NRC en wetenschappelijk docent, zette vraagtekens bij de manier waarop ‘we’ integratie meten. “Waarom koppelen we werkgelegenheid, criminaliteit en opleiding aan integratie? Je zou ook moeten kijken naar taalbeheersing, vermenging en diversiteit van vriendengroepen. Taal is enorm belangrijk, want die verbindt ons.”


‘Onderwijs is ook opvoeden.’


Onderwijs is opvoeden
Om tot die diversiteit in vriendengroepen te komen speelt onderwijs volgens Özdil een cruciale rol. “Onderwijs is ook opvoeden. Dat is niet alleen werken aan een zelfbeeld, maar ook aan het beeld van anderen. Het onderwijs moet meegeven: ‘Er is geen verschil tussen jou en de anderen’. Als je wilt dat de maatschappij vermengt, moeten mensen het zelfvertrouwen hebben om een relatie aan te gaan met personen die anders zijn.”

Te weinig bagage
Schnabel stelde vervolgens dat kinderen van de derde generatie zich Nederlands voelen, maar dat ze ook trots zijn op hun achtergrond. “Het gaat ook om hoe we daar met z’n allen mee omgaan. Scholieren hebben te weinig bagage op dat gebied. Ze weten niet wat de rechtstaat is, hoe de democratie werkt. Of hoe je met elkaar in debat gaat.”

Netwerk opbouwen
Özdil hoort als wetenschappelijk docent aan de Erasmus Universiteit regelmatig van zijn Turkse en Marokkaanse studenten dat ze hun opleiding wel gaan afmaken, maar dan in Turkije of Marokko willen gaan werken. “Hier krijgen ze toch geen werk, denken ze. Ik zeg hen dat ze een netwerk moeten opbouwen en vind dat ze in Nederland hun burgerschap moeten opeisen.”


‘Hier krijgen ze toch geen werk, denken ze.’


Opdracht voor school
Marcouch constateerde ten slotte dat jongeren met een migratieachtergrond veel energie kwijtraken door de vraag: ‘Ben ik hier – in Nederland – thuis of niet?’. “De toon die zij horen is te vaak: we moet maar weer eens bekijken of je hier thuishoort of niet. Dat bevestigt de angst die veel mensen hebben: wat ik ook doe, ik hoor er toch niet bij. Het gaat nu om acceptatie. Daar ligt een opdracht voor de school. Het onderwijs moet een antwoord hebben op die worsteling.”