Participatie en de overheid

Vertrouwen geven en vertrouwen verdienen

Kom op mensen, hoe moeilijk kan het zijn? Laat die burgers en maatschappelijke partners gewoon meepraten over de inrichting van de ruimte en een gezonde leefomgeving. Denk vooraf wel goed na over het doel en de vorm van de participatie en zet de juiste partners aan tafel. Just do it.


Ze zijn er al, die mooie voorbeelden waarin burgers en andere maatschappelijke partners participeren op het gebied van ruimte en omgeving. Ook in de Provincie Zuid-Holland. In de Krimpenerwaard startte stedenbouwkundige Riek Bakker een burgerinitiatief, Natuurmonumenten mobiliseerde tachtigduizend mensen om te protesteren tegen bebouwing langs de Nederlandse kust en in de pilot Omgevingsvisie Alphen aan den Rijn, werd eendrachtig samengewerkt aan een visie op een gezonde duurzame samenleving.

Vliegwiel
Zo kan ook de nieuwe Omgevingswet gaan werken: als een vliegwiel. Met de wet erkent de wetgever eigenlijk dat de maatschappelijke opgaven zo complex zijn, dat overheden die niet meer alleen kunnen oplossen. Ze moeten samenwerken met externe partner. Die samenwerking vraagt om het bouwen en onderhouden van een netwerk.

Regels
Participatie vraagt een goede voorbereiding. Als overheid moet je eerst vaststellen wat je in regels wilt vatten: van particulier vuurwerk tot bomenkap. En vervolgens voor welk soort regels: algemene regels, een meldingsplicht of een vergunning. En natuurlijk kun je als overheid je voorkeur hebben voor het ordenen van een beleidsterrein, maar participanten in het proces kunnen daar een heel andere mening over hebben.

Continue dialoog
Vaak zal de overheid zelf het initiatief nemen tot participatie bij het opstellen van regelgeving en plannen. Maar het is wel relevant om van tevoren te bedenken wat het doel is van die participatie. Wil je de partners vooral gebruiken als een soort klankbord? Of wil je toe naar een coproductie waarin je in dialoog plannen maakt en uitvoert? Die keuze heeft gevolgen voor de inrichting van het participatieproces.
De keuze voor de participanten is ook ingewikkeld. Welke motieven hebben betrokkenen om samen te werken? Zitten de juiste partners aan tafel? Wie zouden er verder aangehaakt moeten zijn? Als het gaat om gezonde leefomgeving is het voorstelbaar dat je verzekeraars aan tafel uitnodigt. Of de GGD. Gaat het om bedrijventerreinen, dan misschien wel iemand van de vakbond.

Participatie toelaten is controle verliezen

Oude discours
Participatie toelaten is controle verliezen. Burgers en belangengroepen kiezen ook vaker voor ideeën die buiten het vanzelfsprekende gezichtsveld van de overheid liggen. Dat vraagt flexibiliteit van de overheid en doorzettingsvermogen van de burger. Dat geldt zeker bij burgerinitiatieven.
In haar rapport Loslaten in vertrouwen, stelt de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) dat de nieuwe overheid niet alleen bereid moet zijn om uitvoeringstaken los te laten, maar ook de daarbij benodigde bevoegdheden en verantwoordelijkheden over te dragen. “Gebeurt dat niet, dan blijft het oude discours gelden waarbij de overheid uitmaakt wie waarover mag meedenken en meebeslissen”, aldus de ROB.

Niet interveniëren
Uit datzelfde rapport: “Wanneer de overheid een taak loslaat, dan dient zij ook te accepteren dat de mensen of organisaties die de taak eventueel overnemen dat op een andere manier kunnen doen dan gewenst of verwacht. Het is zelfs mogelijk dat de uitvoering misloopt of strandt. Loslaten betekent ook helemaal loslaten, en dus niet interveniëren als de uitkomsten of effecten daarvan
je niet bevallen.”

Olievrouwtje
Dat loslaten is een project met mitsen en maren. Zeker, de overheid zal meer dan voorheen een luisterende gesprekspartner moeten zijn. Ze moet transformeren van beleidsmaakster naar olievrouwtje dat processen transparant begeleidt en uitvoert, verwachtingen managet, vertrouwen geeft en zo vertrouwen moet verdienen.

Gebrek aan draagvlak
Waar externe partners participeren wordt gebrek aan draagvlak of representativiteit vaak aangevoerd als reden om iets niet toe te staan. Draagvlak verkrijgen is vooral een kwestie van het betrekken van een breed scala aan perspectieven. Dat kun je neerleggen bij de participanten zelf, maar je kunt daar zelf ook oog voor hebben. Dat vraagt politieke sensitiviteit van de ambtenaar: organiseer vooral iets voor mensen die niet georganiseerd zijn. Ga gericht op zoek naar ontbrekende doelgroepen/belangengroepen.

‘Loslaten betekent ook helemaal loslaten, dus niet interveniëren als de uitkomsten je niet bevallen’

Inbreng wegen
Draagvlak heb je alleen als de inbreng van alle participanten een plek in het eindproduct krijgen, welke vorm die ook heeft. Voor het behouden van vertrouwen in het proces is het daarom belangrijk dat participanten van tevoren weten hoe hun inbreng wordt gewogen. Redeneer steeds vanuit de maatschappelijke opgave of gemeenschappelijke ambitie die partijen delen. Datzelfde geldt voor het managen van verwachtingen bij participanten: stel samen doelen en ambities vast, de financiële kaders en wie op welk moment de uiteindelijke beslissing neemt.

‘Nee’ als antwoord
In veel gevallen zal uiteindelijk een democratisch gekozen orgaan – vaak de gemeenteraad – zijn akkoord moeten geven. En terwijl bij alle vormen van participatie de inzet van de gemeente zal zijn om naar ieders wensen en zorgen te luisteren om daar vervolgens rekening mee te houden, is het een misverstand om te denken dat participatie betekent iemand a priori zijn zin te geven. “Nee” is namelijk ook een antwoord of een uitkomst.

Komt te voet…
Maar als vrijwel alle deelnemers in het participatieproces aan bod zijn gekomen, het draagvlak groot is, iedereen zich aan de afspraken heeft gehouden, en het voorstel binnen financiële en juridische kaders past, moet de gemeenteraad daar wel verdomd goede redenen voor hebben. Want vertrouwen in participatie komt te voet en gaat te paard.

Hoe maak je van participatie in het kader van de Omgevingswet een succes?

1. Bedenk eerst of je wilt samenwerken en waarom.
2. Zorg voor onafhankelijke procesbegeleiding.
3. Breng cruciale informatie op tijd in. Zorg ervoor dat alle betrokkenen dezelfde informatie hebben op hetzelfde moment.
4. Betrek zoveel mogelijk belanghebbenden vanaf de start. Check regelmatig of mensen zich nog gehoord voelen.
5. Praat over hetzelfde. Zorg ervoor dat kennisniveaus aansluiten. Zo blijkt uit onderzoek dat de ‘ambtelijke’ definitie van leefomgeving verschilt van die van burgers in Zuid-Holland. Voor burgers is leefomgeving de (veilige en vertrouwde) omgeving waarin men woont, werkt en recreëert. Burgers associëren dit niet direct met grote thema’s als klimaat, milieu, energie, infrastructuur, enz.
6. Participatie gedijt bij oprechte interesse in partijen, duidelijke kaders rond het doel van de participatie en de inbreng en bestuurlijk commitment van het bevoegd gezag.