Nadieh Graumans-Tigchelaar, theaterdocent en onderzoeker

‘Leerkracht essentieel voor esthetische ervaring’

Cultuureducatie helpt kinderen om hun wereldbeeld te verbreden. Vooral als er sprake is van een esthetische ervaring. Docenten vervullen daarin een sleutelrol, stelt onderzoeker en theatermaker Nadieh Graumans-Tigchelaar. Voorafgaande aan een voorstelling en na afloop.

Jij onderzoekt hoe we de esthetische ervaring van kinderen tijdens en na een theatervoorstelling kunnen intensiveren. Wat versta jij onder een esthetische ervaring?
“Een esthetische ervaring is zo’n prachtig moment waarop je wordt meegesleept in je verbeelding. Daarna besef je dat je iets voelde, dat je gedachten even stilstonden en dat je iets nieuws hebt ervaren. In het beste geval heb je daar iets nieuws van geleerd, over jezelf of over de wereld. Uit literatuuronderzoek blijkt dat zo’n moment uit vier verschillende elementen bestaat: verbeelding, verbinding, emotie en wereldbeeld. Pas als deze elementen allemaal worden aangesproken, kan zo’n moment ontstaan.”

Op de Dag van de Cultuureducatie gaat het over ‘Magische momenten’. Wat is het verschil tussen een magisch moment en een esthetische ervaring?
“Magische momenten zijn wat breder, denk ik. Je kunt ze meemaken als je iets doet of ziet waar je door verwonderd wordt. Je krijgt kippenvel, grote ogen, trots. Ze kunnen zowel klein als groot zijn en zijn betekenisvol voor jezelf doordat je iets nieuws ontdekt over jezelf. Misschien een nieuwe passie of zelfs een talent! Het is vaak zo’n herinnering aan je schooltijd die je altijd bijblijft. Bij een esthetische ervaring is het daarnaast nodig dat je zelf betekenis geeft aan dat wat je ziet of doet. Je legt verbanden tussen het voorgestelde en je eigen huidige leefwereld. Je wordt er bijvoorbeeld bewust van dat er ook andere meningen bestaan dan die in jouw omgeving gelden. Een esthetische ervaring is eigenlijk een soort verdieping van een magisch moment waarbij je wereldbeeld verbreedt.”

Waarom zijn die esthetische ervaringen zo belangrijk?
“Het beleven van esthetische ervaringen door verschillende vormen van kunst geeft je de kans om meer over jezelf te weten te komen. Je leert jezelf kennen, ontdekt dat je een eigen smaak hebt. Veel uitproberen helpt je om die smaak verder te ontwikkelen, stimuleert je om later gemakkelijker en zelfbewuster je eigen weg te kunnen volgen. Het instituut ‘school’ speelt daar een belangrijke rol in. Op school kunnen kinderen namelijk in contact komen met andere ‘smaken’ dan thuis. Ze kunnen hun ervaringen verbreden.”

De rol van de leerkracht is dan heel belangrijk, zeg jij. Op welke manier?
“Kinderen die vanuit school naar – om maar wat te noemen – een theatervoorstelling gaan hebben vaak geen keuze. Ze moeten mee. De voorstelling die zij gaan zien hebben zij niet zelf uitgekozen. Op zo’n moment is een goede voorbereiding essentieel om die beleving zo sterk mogelijk te maken. Verbinding maken is dan heel belangrijk. Als je niets ziet wat bekend voor je is, dan schakelen je hersens zichzelf uit. Je bent er dan wel maar doet niet mee. Het gaat er dus om van tevoren wel een klein punt van herkenning mee te geven, maar tegelijkertijd open te houden hoe de voorstelling verloopt. Dan prikkel je de nieuwsgierigheid.”

Hoe doe je dat, zo concreet mogelijk?
“Dat kan bijvoorbeeld door vooraf naar de poster van een voorstelling of tentoonstelling te kijken. En aan de kinderen te vragen: ‘Wat zie jij? Waar zou deze voorstelling over kunnen gaan?’ Of: ‘Wat denk je dat we hier gaan zien?’ Daarmee zet je de verbeelding aan. Zodra kinderen dan binnenkomen zien zij herkenningspunten. Die helpen om de ervaring sterker te maken.”

Ook na afloop van een voorstelling is er werk aan de winkel voor docenten. Wat is dan hun ideale rol?
“Ik heb gemerkt dat leerkrachten de nagesprekken vaak lastig vinden. ‘Ik weet niets van theater of van kunst, dus ik weet niet goed hoe ik erover moet praten’, zeggen ze dan. Maar dat is juist een prima uitgangspunt. In zo’n gesprek is namelijk niets goed of fout. Je hebt samen gekeken en zou op een gelijkwaardig niveau een gesprek aan kunnen gaan. Een gesprek waarin alles kan. Best lastig voor een docent, die het gewend is altijd boven de stof te staan. Maar het levert wel een open gesprek op waarin iedereen gelijk is.”

Jij gaat daar handvatten voor ontwikkelen. Waar moeten we dan aan denken?
“Ik ben bijvoorbeeld bezig om een gesprekstechniek te ontwikkelen om het nabespreken van voorstellingen voor docenten eenvoudiger en interessanter te maken. Daarbij ga ik uit van drie eenvoudige vragen: wat zie je, wat denk je en wat betekent dat? De vragen zij gebaseerd op de vragen die Terry Barrett introduceerde in gesprekken over beeldende kunst. Door te beginnen met ‘Wat zie je’ of ‘Wat heb je gezien’ begin je zo’n gesprek heel feitelijk en hou je meningen nog even buiten de deur. Je leert dan dat iedereen andere dingen ziet. Bovendien maak je zo een veilige brug naar: ‘Wat dacht je toen je dat zag’ en ‘Hoe is het op jou overgekomen?’ Daarmee krijg je een heel ander en open gesprek en kom je vaak veel verder dan louter sociaal wenselijke antwoorden, ingegeven door groepsdruk. Bovendien voer je dan met elkaar een heel prettig gesprek waarin niets goed of fout is.”

Kunnen leerkrachten nog meer doen om hun kinderen een esthetische ervaring te bezorgen?
“Vaak is het zo dat leerkrachten hun eigen stokpaardjes hebben. De een kiest vaak iets met muziek uit, de ander met theater. Mijn advies is: probeer eens iets anders uit. En ga dan samen met je leerlingen ervaringen delen. Zo blijf je jezelf vernieuwen en je wereldbeeld verbreden. Van jezelf en van je leerlingen.”