Editie 2

Nederland veranderd/t

We staan voor transities van energie en van het landelijk gebied, voor opgaven als wateroverlast en droogte, en voor een verandering van onze manier van wonen. Hoe zorgen we ervoor dat ons culturele erfgoed in al dat ‘verandergeweld’ niet het onderspit delft? Waarom hebben we dat erfgoed juist nu zo hard nodig? Wat zijn voorbeelden om trots op te zijn? En waar moet nog wat gas bij? In vier edities met telkens vier inspirerende bijdragen over ‘erfgoed in de leefomgeving’ maken we de balans op.

In deze editie:

Eveline van Leeuwen:

‘Stad en land hebben elkaar nodig’

‘Blokkeerfriezen’ die vorig jaar anti-zwartepietactivisten uit ‘de grote stad’ op weg naar Dokkum wilden tegenhouden: dat voorval onderstreept de ontstane kloof tussen stad en land. Terwijl beide elkaar zo hard nodig hebben, stelt Eveline van Leeuwen, ruimtelijk econoom met een achtergrond in landgebruiksplanning en hoogleraar Urban Economics aan de Universiteit Wageningen.

Dat beide elkaar nodig hebben, is altijd al zo geweest, stelt Van Leeuwen. “De steden konden vroeger ontstaan doordat mensen van het platteland er naartoe trokken om met hun specialismen de regio te voorzien van diensten en producten. Omgekeerd leverde de stad weer innovaties, die ze op het land konden gebruiken.”
En ook nu hebben ze elkaar nodig. Van Leeuwen: “De stad wordt gezien als engine of growth, maar het omliggende land dat die groei mede mogelijk maakt, wordt vaak vergeten.” Veel werknemers pendelen elke dag van het landelijke gebied naar de stad, en weer terug. Zonder het landelijk gebied zou er minder afname zijn van producten en diensten. En voor voedsel, schoon water, schone lucht, maatregelen tegen wateroverlast én erfgoed is de stad ook weer afhankelijk van het land.

'De stad wordt gezien als engine of growth, maar voor voedsel is de stad afhankelijk van het land.'

Proteststemmen en wantrouwen

Toch is het landelijke beleid juist veel op de stad gericht. Daar komen immers de meeste politici en wetenschappers vandaan. Gevolg: de mensen buiten de stad voelen zich niet gehoord. Met als risico: proteststemmen en afname van vertrouwen in de overheid. Hoe komen stad en land dan weer bij elkaar om antwoorden te vinden op de grote vraagstukken van deze tijd? Zoals de energietransitie waarbij we minder energie moeten gebruiken en juist meer hergebruiken. En waarvoor we energie uit hernieuwbare bronnen moeten halen en samenwerkingsverbanden voor grote oplossingen stimuleren.

Van Leeuwen: “Enerzijds zijn steden kleinverbruikers van energie, wanneer je het gemiddelde verbruik per persoon vergelijkt met dat van het platteland. Dat komt door de kleinere woningen daar en doordat er minder vervoer is. Ook zijn stedelingen meer milieubewust, waar dorpelingen juist meer vrijwilligerswerk doen, vooral in de eigen omgeving. Anderzijds kennen steden minder hernieuwbare bronnen, terwijl in landelijk gebied meer ruimte is voor klimaat- en energiemaatregelen. Daar is echter minder dynamiek, waardoor zulke maatregelen meteen als ingrijpender worden ervaren dan in steden. De crowdfundingacties voor duurzame energie die stedelingen opzetten, zijn doorgaans ook kortdurend en leveren minder vermogen op.”

Gelijkwaardige samenwerking

Voor de toekomst zullen stad en land samen moeten zoeken naar een nieuwe invulling van hun relatie. Van Leeuwen: “Denk bijvoorbeeld aan samenwerking om de arbeidsmarkt af te stemmen op de transities. Waarbij stad en land samen naar verschillende oplossingen toewerken. Die samenwerking moet dan uiteraard wel gelijkwaardig zijn.”

Berno Strootman, landschapsarchitect en Rijksadviseur:

‘Evenwicht nodig tussen landschap en landbouw’

We moeten zuiniger omgaan met het landelijk gebied. “Dat is niet oneindig beschikbaar”, waarschuwt landschaps­architect Berno Strootman. “Volgens het CBS neemt de omvang van het landelijk gebied in Nederland per dag met 8,3 hectare af door extra verkeersruimte, woningbouw, industrie, datacenters en opslagloodsen.”

Nederlands Midden, een rechthoek tussen grofweg Alkmaar, Apeldoorn, Eindhoven en Rotterdam, is qua inwonertal te vergelijken met Londen en Parijs, maar heeft als bijzondere kwaliteit dat het bestaat uit een groot aantal relatief kleine steden en dorpen, waardoor het landschap nooit ver weg is, stelt Strootman. “In vergelijking met andere verstedelijkte gebieden is er hier niet één lange zone waar stad en land elkaar raken, maar is er een veelvoud aan kleinere stadsrandzones, die bij elkaar opgeteld een bijzonder lange stadsrand vormen. Dit maakt het buitengebied goed toegankelijk voor stedelingen, maar maakt ons landschap ook kwetsbaar: de steden en dorpen kunnen immers op heel veel plaatsen uitbreiden, met een grote impact op het landschap als gevolg. We hebben dat buitengebied echter hard nodig, voor de productie van voedsel, voor natuur, voor klimaatadaptatie, voor energieproductie en om van te genieten.”
Het College van Rijksadviseurs, waarvan Strootman lid is, adviseert het Rijk mede daarom de stedelijke opgaven zoveel mogelijk binnen bestaand bebouwd gebied op te lossen. Strootman: “En dat kán, zo blijkt bijvoorbeeld uit onderzoek van het CRa in de Metropoolregio Amsterdam. Binnenstedelijke bouw is efficiënter, zorgt voor herstructurering van verouderde delen en spaart het landelijk gebied.”

Dubbelgebruik

Ook de energietransitie heeft een grote impact op ons landschap. Strootman is een groot voorstander van een daadkrachtige aanpak daarvan en pleit voor een brede aanpak met de nadruk op energiebesparing en functiecombinaties in bestaand stedelijk gebied. Nu ziet hij het tegenovergestelde: overal verschijnen ‘zonneparken’, die hij liever ‘zonne-energiecentrales’ noemt. Volgens hem vormen zonne-energiecentrales een industriële laag in het landschap, vergelijkbaar met kassen. “Alleen al in Drenthe liggen plannen klaar voor 3.000 hectare aan zonnepanelen, die voor 80 procent op landbouwgrond komen en in 90 procent van de gevallen worden gerealiseerd door projectontwikkelaars.” Zij worden daartoe aangespoord door de Rijkssubsidieregeling SDE+ die niet stuurt op multifunctioneel grondgebruik maar op lage kosten, constateert Strootman. “Gemeenten grijpen deze mogelijkheid vaak graag aan, omdat ze zo relatief eenvoudig een belangrijk deel van hun energieopgave kunnen realiseren. Boeren gaan er op hun beurt vaak gretig op in, omdat het meer opbrengt dan het verbouwen van gewassen.”

'De schade die landbouw veroorzaakt, moet een prijskaartje krijgen.'

Strootman pleit voor dubbelgebruik: plaats zonnepanelen op bestaande gebouwen, op braakliggende terreinen, op industriegebieden e.d. “Eerst maximaal besparen, alle daken vol en maximaal wind op zee.”

Regionale Omgevingsagenda’s

Maatschappelijk draagvlak is volgens Strootman een belangrijk aandachtspunt bij de energietransitie. “Deze transitie zal op grote maatschappelijke weerstand stuiten wanneer alleen doelgericht wordt toegewerkt naar een maximale energieopbrengst. Deze werkwijze zal bovendien een grote ruimtelijke impact hebben.” Hij pleit er daarom voor om de energietransitie als onderdeel van een groter plan te beschouwen. 

De Regionale Energie

Strategieën die nu overal worden ontwikkeld, zouden volgens Strootman moeten worden uitgebouwd tot Regionale Omgevingsagenda’s. “Beschouw de energietransitie-opgave op regionale schaal in relatie tot andere regionale opgaven en in relatie tot de regionale kenmerken en kwaliteiten. Zet de energietransitie, in samenhang met andere opgaven in, om zo de omgevingskwaliteit van een regio te vergroten. Maak hierover bindende afspraken tussen de verschillende overheidslagen in een Regionale Omgevingsagenda en met maatschappelijke partners en bedrijfsleven. Elke overheid draagt er vervolgens zorg voor dat deze afspraken landen in omgevingsvisies en -plannen.”

Een New Deal tussen stad en platteland

Een andere grote transitie die veel impact zal hebben op het landschap, is de transitie van de landbouw. Volgens Strootman moet landbouw weer in evenwicht worden gebracht met het landschap en de maatschappij: “De huidige intensieve wijze van voedselproductie is niet langer houdbaar en gaat ten koste van het landschap, de natuur, de bodemkwaliteit, de biodiversiteit, het milieu en de volksgezondheid. Nederland teert in op zijn maatschappelijke vermogen. De boeren zelf profiteren evenmin van deze bedrijfsvoering. Het is hoog tijd voor een koerswijziging.”
Strootman pleit voor het sluiten van een New Deal tussen stad en platteland, tussen boer en maatschappij: “Het is van groot belang dat boeren weer een eerlijk inkomen kunnen verdienen en dat voedselproductie in evenwicht komt met het maatschappelijk belang en dus ook met het landschap. Landbouw zal duurzaam en circulair worden. De opbrengsten van deze New Deal zijn aanzienlijk: een eerlijk inkomen voor de boeren, schoon water en een schone lucht, een gezonde bodem, meer biodiversiteit en een aantrekkelijk landschap, gezond voedsel en uiteindelijk ook een gezonde mens. Kwalitatief hoogwaardig landschap is een factor van belang voor het vestigingsklimaat in Nederland. Wanneer landbouw en het platteland sterker in samenhang worden beschouwd met het stedelijk systeem, zal er veel meer synergie ontstaan dan nu het geval is.”

Evenwichtig landschap

Onlangs publiceerde het College van Rijksadviseurs ‘Panorama Nederland’. Daarin schetst het College een toekomstbeeld, waarin een ‘rijk boerenland’ een centraal thema is. De landbouw wordt hierin in evenwicht gebracht met het land en maatschappelijke vraagstukken. Niet de landbouw bepaalt voortaan hoe het landschap eruitziet, maar de landschappelijke kwaliteiten worden bepalend voor welke landbouw ergens mogelijk is.
Strootman ziet dat de tijd rijp is voor deze nieuwe benadering. “Drie betrokken ministers (van landbouw, binnenlandse zaken en cultuur) staan immers voor een andere koers voor landbouw en landschap. Er is een deltaplan voor meer biodiversiteit, overal ontstaan nieuwe oplossingen zoals ‘herenboeren’ (mensen nemen een boer in dienst die hen producten gaat leveren), en de ‘Nationale Parken Nieuwe Stijl’ bieden veel kansen voor een kwaliteitsverbetering in bestaande cultuurlandschappen.” Ook de vele ideeën die de door het CRa georganiseerde prijsvraag ‘Brood en Spelen’ oplevert, zorgen voor vernieuwing van het landelijk gebied.
Tot slot meent Strootman dat het goed zou zijn als het Rijk zich meer ontfermt over de kwaliteit van ons landschap. Dat geldt zeker ook voor het ministerie van OCW: “Het landschap is immers ons grootste en oudste erfgoed. De grote waarde van het landschap wordt in de beleidsbrief ‘Erfgoed telt’ van het Ministerie van OCW onderkend. Het landschap is letterlijk de onderlegger voor de grote transities, maar zou niet de onderliggende partij moeten zijn.”

Pilotproject ALB in Groningen werpt vruchten af

Boeren en architecten slaan handen ineen voor behoud agrarisch cultureel erfgoed

Fotograaf Meijer JM

De landbouw heeft te maken met schaalvergroting. Waar het vaak mis gaat, is met de boerderijen. Ook andere factoren als de aardbevingsproblematiek en asbestsanering zetten het agrarisch erfgoed in een provincie als Groningen onder druk. Attie Bos, bestuurslid van de agrarische natuur- en landschapsvereniging Wierde en Dijk, maakt zich zorgen. Maar zij heeft ook een oplossing.

Van oudsher is het natte kwelderlandschap alleen geschikt voor het houden van vee. Kenmerkend aan de boerderijen van toen is het voorhuis en de lage schuur, langhuizen worden deze boerderijen genoemd. Als aan het eind van de achttiende eeuw de runderpestepidemie uitbreekt, ontstaat er gemengde landbouw in de provincie. Er wordt veel grond ingepolderd en boerenbedrijven worden groter. Dit leidt tot een nieuw type boerderijen. Bos: “Er zijn dan grotere schuren nodig om de granen op te slaan, de kop-hals-romp boerderijen met een ruimer voorhuis bepalen vanaf dat moment ook de identiteit van het gebied. Nog later verschijnen de eerste oldambster boerderijen, met nog grotere schuren voor de opslag van graan.”

'In de praktijk gaat het vaak om vaste schuren die er al eeuwen staan en is de keuze: afbraak of restauratie.'

Melkquotum

Na de Tweede Wereldoorlog verandert het boeren. Er wordt om schaalvergroting gevraagd en boeren moeten een keuze maken tussen akkerbouw of veeteelt. Bos: “Er komen grote loodsen voor bulkopslag en stallen voor koeien. Ook na de eeuwwisseling gebeurt er veel in de provincie. De schaalvergroting zet door, de pootaardappelteelt wordt de kurk in de provincie waar alles op drijft. Er worden hoge loodsen gebouwd om alles in op te kunnen slaan.”
Een maatregel met verstrekkende consequenties, is de afschaffing van het melkquotum in 2015. Melkveestallen schieten daarna als paddenstoelen uit de grond. Bos: “De impact op het landschap is enorm. Het zijn geen boerderijen maar niet-streekeigen industriële complexen die gebouwd worden, met vaak een afwijkende kleurstelling op afwijkende locaties.”

Bouwplannen functioneel

Veel boeren vragen om hulp, ook zij zien het liever anders. Dat leidt tot het pilot-project ALB (Agrarisch Landschappelijk Bouwen) dat de ambitie heeft om de boeren te helpen om mooiere schuren en stallen te bouwen. 

Bos: “Om inzicht te krijgen in de problematiek wordt een oproep gedaan aan boeren met bouwplannen. Deze oproep leidt tot veel aanmeldingen; de boeren worden uitgebreid geïnterviewd en hun belangen, wensen en mogelijkheden geïnventariseerd. Uit deze interviews blijkt dat de bouwplannen van de boeren functioneel zijn en dat er bij hen wel degelijk historisch landbouwbesef is.”

Boeren en architecten

Het project zoekt de oplossing in samenwerking met architecten. Bos: “De ervaring leert dat de landschappelijke inpassing van een bouwwerk dan veel beter is, zowel als deze traditioneel is als wanneer deze radicaal anders is. We hebben toen een bijeenkomst voor boeren en architecten georganiseerd, en deze werd drukbezocht. Dat heeft geleid tot het instellen van een stimuleringsfonds waarin boeren die onder architectuur bouwen een financiële tegemoetkoming krijgen. Het Groninger landschap heeft zo veel van haar agrarisch cultureel erfgoed kunnen behouden.”

Oproep

Recent is er de aardbevingsproblematiek bij gekomen, een ramp in de provincie Groningen. Deze heeft geleid tot nieuwe frustraties en conflicten. En opnieuw staat het agrarisch erfgoed onder druk. Bos: “Maar al te vaak wil de NAM boerderijen afbreken in plaats van herstellen, om zo kosten te besparen.”
En dan is er nog de asbestproblematiek. Bos: “Voor 2024 moet alle asbestplaten, die nu nog vaak in de daken van boerderijen zitten, vervangen worden. In de praktijk gaat het vaak om vaste schuren die er al eeuwen staan en is de keuze: afbraak of restauratie.”
Hulp om het agrarisch cultureel erfgoed te behouden is hard nodig, besluit Bos. “Daarvoor is het noodzaak dat de overheid het ALB-pilot project oppakt in de beleidsvorming. Een architect zorgt namelijk voor een efficiënt bouwproces. Met elkaar kunnen we dan heel veel goed werk verrichten.”

Praatplaat brengt mogelijkheden in kaart

Portiekflats als antwoord op de bouwvraag

Veel naoorlogse woningen voldoen niet aan de huidige kwaliteits- en wooneisen. Wordt deze generatie woningen gesloopt? Woningen die wellicht óók belangrijk zijn vanuit cultuurhistorisch oogpunt en wetende dat Nederland in de toekomst een miljoen woningen extra nodig heeft?  Een praatplaat kan de mogelijkheden in kaart brengen.

De Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed en architectuurcentrum Aorta ontwikkelden een ‘praatplaat’ voor de Utrechtse wijk Overvecht. Ze keken daarvoor naar de kwaliteit die van oorsprong in de naoorlogse bouw is ingebracht. Verder werden de financiële en technische aspecten in kaart gebracht, maar ook de architectonische aspecten.

Theemuts

‘Overvecht wordt een sociaal gezonde en duurzame wijk’, luidde de ambitie die onderdeel uitmaakte van de praatplaat. Om de vele portiekflatjes duurzaam te maken, worden vaak drie methoden toegepast. De eerste is de ‘theemutsmethode’: om de flat heen wordt een constructie aangebracht voor temperatuurisolatie en geluid- en stankwering. De tweede methode gaat uit van een nauwkeurige renovatie van de woningen, waarbij oorspronkelijke bouwprincipes behouden blijven, maar moderne maatregelen de woningen duurzaam maken (via isolatie en zonnepanelen bijvoorbeeld). De derde aanpak betreft de plaatsing van een geheel nieuwe gevel vóór de bestaande bouw en daarbinnen aanpassingen doen om aan woonwensen van bewoners tegemoet te komen (zoals het samenvoegen van woningen).

biq-architecten

Van probleem naar facelift

Dilemma’s die bij zo’n casus als Overvecht bij het bespreken van de praatplaat naar boven kunnen komen, gaan over esthetiek, de matige kwaliteit van dergelijke flats, de kosten voor mensen met lage inkomens, de locatie (in doorgaans weinig geliefde wijken), de overlast voor huidige bewoners en het gegeven dat oorspronkelijke elementen in dergelijke woningen vaak in de jaren tachtig al zijn verwijderd tijdens renovaties.
Wanneer je voorafgaand aan een project goed onderzoekt wat de problemen en bezwaren van de verschillende maatregelen zijn en wat precies de behoeften zijn, dan kun je daarmee snelheid in plannen brengen. Ook door de plaat niet als een oplossing voor problemen te presenteren, maar als een facelift voor de wijk. Maar ook door succesvolle voorbeeldprojecten te laten zien. Het is bovendien mogelijk om overlast voor huidige bewoners te beperken door tevoren te bekijken hoe acties zoveel mogelijk gebundeld kunnen worden. Naast een financieel en bouwtechnisch verhaal sta je met een inhoudelijk verhaal rondom de cultuurhistorische waarden bovendien sterker naar de buitenwereld.

Draagvlak nodig

Inmiddels blijkt uit de ervaringen in Utrecht dat een discussie met behulp van een praatplaat het beste kan met mensen uit verschillende disciplines. Vervolgens is het belangrijk zoveel mogelijk kennis te genereren en te delen. In het ontwerp is het bovendien het beste seriële oplossingen te zoeken om maatregelen zo betaalbaar mogelijk te houden. Maar weet ook: elk gebouw is anders, dus één op één toepassen van dezelfde oplossing gaat niet op.
Tot slot is draagvlak vanuit de omgeving nodig. Daarvoor is het nodig goed te weten wie de doelgroepen zijn. Vervolgens is het mogelijk de vorm van participatie vast te stellen.

Rotterdam Central District

Cultureel erfgoed als drager voor een klimaatadaptieve stad

Hoe kan cultureel erfgoed een drager zijn voor klimaatadaptatie? In Rotterdam vinden we een antwoord. ‘Klimaatadaptief Rotterdam Central District’ is een district met een aantal planlocaties en al gerealiseerde voorbeeldprojecten waarbij die combinatie gelukt is, zoals de Dakakker. Op 3 december gingen deelnemers van de netwerkconferentie ‘Nederland veranderd/t’ op werkbezoek in Rotterdam Central District. Een foto-reportage.

Hoe kan cultureel erfgoed een drager zijn voor klimaatadaptatie? In Rotterdam vinden we een antwoord. ‘Klimaatadaptief Rotterdam Central District’ is een district met een aantal planlocaties en al gerealiseerde voorbeeldprojecten waarbij die combinatie gelukt is, zoals de Dakakker. Op 3 december gingen deelnemers van de netwerkconferentie ‘Nederland veranderd/t’ op werkbezoek in Rotterdam Central District. Een foto-reportage.