Vijf keer inspiratie

Focus op het gezin

Hoe doorbreek je de cyclus?

Hoeveel woorden kent een kind van drie jaar met taalvaardige ouders en hoeveel een kind van ouders met een geringe woordenschat? 1.116 versus 525. Laaggeletterde ouders lopen veel risico hun taalproblemen door te geven aan hun kinderen. Hoe kun je die cyclus van laaggeletterdheid doorbreken?

Nóg meer tot de verbeelding spreekt dit: een kind in een taalvaardig gezin heeft voor zijn vierde jaar 30 miljoen woorden gehoord, een kind in een taalarme omgeving komt niet verder dan 3 miljoen woorden. Alle reden dus om ouders te ondersteunen bij de taalopvoeding.

Naar de bibliotheek

“Adviseer ouders hun kind al jong mee naar de bibliotheek te nemen”, zegt onderzoeker Kees Broekhof. “Voorlezen, samen lezen. Het kind krijgt dan niet alleen een grotere en gevarieerdere woordenschat maar kent ook langere woorden. Maar ik zeg erbij: de ouders om wie het gaat, krijg je niet snel zo ver.” De Taalvijver – voor jonge kinderen die nog geen Nederlands spreken – draait het om. Terwijl de kinderen taalspelletjes doen, knoopt een taalcoach een praatje aan met de anderstalige ouders die toch maar zitten te wachten. Dan leg je het verband tussen kinderen en ouders.

‘Adviseer ouders hun kind al jong mee naar de bibliotheek te nemen’

Meertaligheid

En hoe zit het met de stelling dat meertaligheid tot minder goed Nederlands leidt? Achterhaald, meent Wouter Heijne, gemeente Smallingerland: “Hier in Friesland zijn kinderen gewend het Fries naar het Nederlands te vertalen. Sterker, als ze weinig Friese woorden kennen, hebben ze ook een geringere Nederlandse woordenschat.”

Meer onderzoek

Verder nog tips voor een effectieve gezinsaanpak? Kies voor een landelijke coördinatie van best practices, dan hoef je als gemeente niet telkens het wiel opnieuw uit te vinden. Daar staat wel tegenover dat het afnemen van een landelijk programma vaak duurder is dan zelf een aanpak ontwikkelen. Kees Broekhof merkt hierover nog op: “Er moet echt meer onderzoek komen naar de effectiviteit van programma’s. We weten nog veel te weinig.”

Wil Hogeman-Weijers, Leger des Heils Jeugdhulp

‘Alles benoemen’

“Ik ben professioneel geïnteresseerd in taalvaardigheid maar ook ervaringsdeskundige: ik heb twee kinderen met een taalontwikkelingsstoornis. Wat ik altijd bij mijn kinderen heb gedaan, is alles benoemen. ‘Kijk, we doen nu je jas aan en trekken de rits dicht. Ga je mee naar buiten? Dan pakken we de fiets.’ Dat zouden ouders in risicogezinnen ook moeten doen.”

Lessons from Europe

Zo doen ze dat bij de buren

Hoe pakken ze laaggeletterdheid aan in andere Europese landen? Dat is te lezen op de website van EPALE, een initiatief van de Europese Commissie. Zo vliegen ze in Vlaanderen de laaggeletterdheid van vijf kanten aan en maken ze in Finland documentaires over volwasseneducatie.

De Vlaamse aanpak voor laaggeletterdheid onder volwassenen door het Centrum voor Basiseducatie kent vijf ‘poten’. De eerste is het vergroten van taalvaardigheid als onderdeel van de voorbereiding op een beroep. De tweede is het stoppen van de overdracht van laaggeletterdheid van generatie op generatie. De focus ligt hier op kinderen: die zijn bereid om te leren. Bijvoorbeeld in het PeuterSpeelPunt in Turnhout, waar moeders samen met hun kinderen de taal leren en tegelijk inburgeren. Ze worden wegwijs gemaakt in de samenleving. Hierdoor komen moeders sterker in hun schoenen te staan en raken ze uit hun isolement.

Kans op werk

De derde poot is het vergroten van de kans op werk voor laaggeletterden. Zij krijgen taaltraining in hun eigen, veilige omgeving. Die training is gericht op werk én op het versterken van de persoon. Via Partena Dienstencheque zijn al 1700 werknemers geholpen.
De vierde poot richt zich op armoedebestrijding. Van de mensen die in armoede leven, is 20% laaggeletterd. Zij kunnen naar armoedeverenigingen waar ze mensen ontmoeten en actief kunnen zijn. Vijfde poot is de aanpak van digitale laaggeletterdheid, die boven op de analoge laaggeletterdheid komt. Wie geen digitaal formulier kan invullen, kan zich namelijk niet eens als werkzoekende inschrijven.

‘Wie geen formulier kan invullen, kan zich ook niet als werkzoekende inschrijven’

Dyslexie in beeld

‘Live and learn’ is een documentaireproject over volwasseneducatie in Finland, Denemarken, Portugal en het Verenigd Koninkrijk. Een groot deel van de projectmedewerkers is journalist of communicatiemedewerker. Zij volgen mensen die een taaltraject hebben gevolgd en hun docenten. Zoals de 56-jarige Søren Jensen uit Denemarken. Hij is dyslectisch en hobbelde van klusje naar klusje, waarbij hij werk uitzocht waar taal geen rol in speelde. Hij compenseerde zijn beperking met een sterk geheugen, waardoor hij zijn dyslexie verborgen wist te houden. Totdat hij een poster moest maken voor een voetbalclub… Daarnaast had zijn kind hulp nodig met het huiswerk. Wie kon hem helpen? Søren niet, maar ook zijn vrouw uit Guatemala niet. Nu gaat hij twee keer per week naar de Copenhagen School of Dyslexia. Zo laten verschillende documentaires zoals deze, zien hoe het leven verandert van volwassenen die besluiten weer te gaan leren. Dat inspireert ook andere volwassenen weer naar school te gaan.

Laura Kakes, trainee ministerie OCW

‘Op de goede weg’

“Ik zit bij een team dat de vervolgaanpak van laaggeletterdheid voorbereidt. In het voorjaar gaat het plan naar de Tweede Kamer. Vandaag heb ik veel nieuwe dingen gehoord, mooi om kennis uit te kunnen wisselen. En we zijn in Nederland op de goede weg, merkte ik. Dat is fijn.”

Tel mee met taal – het vervolg

‘Tijd voor verbreding en verdieping’

Waar staan we na drie jaar Tel mee met Taal? Wat hebben we gedaan, bereikt, geleerd? En hoe gaan we verder na 2019? Tel mee met Taal projectleider Hans Hindriks blikt terug en kijkt vooruit.

Als je van dag tot dag bekijkt wat je als projectleider of beleidsmaker in de wereld om je heen hebt veranderd, dan is dat soms vrij weinig. Maar als je een langer perspectief neemt, dan merk je pas het verschil. Dit was de boodschap waarmee Hans Hindriks zijn presentatie over de vervolgaanpak van laaggeletterdheid begon. Hindriks maakte een vergelijking tussen de vragen en uitdagingen die speelden toen hij vijf jaar geleden begon met werken bij het ministerie van OCW, en vandaag de dag, aan de vooravond van het laatste jaar van “Tel mee met Taal”.

Meer focus

“In 2015 was het vergroten van het bereik in algemene zin prioriteit. Elke laaggeletterde is er een te veel, was het mantra op het ministerie. Nu, vier jaar later, zien we dat we op sommige groepen meer focus moeten leggen. De laaggeletterden met Nederlands als moedertaal worden onvoldoende bereikt. Het aanbod is vaak ook nog te schools voor hen, ondanks de opkomst van non-formeel aanbod en de inzet van taalvrijwilligers. Ik denk dat we hebben overschat hoe aantrekkelijk die leesclubjes en vrijwilligersactiviteiten voor de NT1-groep eigenlijk zijn,” stelt Hindriks. “In het plenaire programma van vanochtend werden we er door Jos Niels nog maar eens aan herinnerd dat laaggeletterden natuurlijk zelden of nooit in een bibliotheek komen.”

‘In het sociale domein valt veel te winnen’

Communicatie

“Verder moeten we ook nog eens goed kijken naar onze communicatie,” vervolgt Hindriks, “in de afgelopen jaren hebben we vooral gecommuniceerd richting organisaties: het probleem van laaggeletterdheid geschetst, de omvang van het probleem benoemd. Dat werkt voor de doelgroep zelf soms contraproductief. Zij voelen zich een probleem, buitengesloten. Ik denk dat we veel meer doelgroepgericht moeten gaan communiceren in de komende jaren.”

Het aanbod zal daarbij specifieker gericht moeten worden op de groepen die nu nog weinig worden bereikt, maar wel steeds vaker vastlopen in de (digitale) dienstverlening van overheidsorganisaties en worstelen met de eisen van werkgevers. Hierbij is belangrijk dat naast taal en rekenen meer wordt ingezet op digitale vaardigheden om mensen vooruit te helpen. En dat gaat voor veel mensen vaak langzaam, in kleine stapjes. “Voor een 70-plusser in een verzorgingshuis in Emmeloord kan het al een hele overwinning zijn om voor het eerst met de kleinkinderen te Skypen, of om online te bankieren,” aldus Hindriks.

Regionale samenwerking

Een grote verandering die de afgelopen jaren tot stand is gekomen, betreft de regionale samenwerking, volgens Hindriks. “In 2015 zijn we begonnen met het opbouwen van netwerken op lokaal en regionaal niveau. Daarbij hebben de ministeries geprobeerd het goede voorbeeld te geven. De samenwerking tussen verschillende ministeries, en de thema’s onderwijs, werk, gezondheid, cultuur en emancipatie, heeft echt bijgedragen aan een meer zichtbaar, meer effectief programma.”

De komende jaren moeten deze netwerken verder versterkt, verbreed en verdiept worden. “Vooral in het sociaal domein is nog een wereld te winnen,” aldus Hindriks. Hij verwees in dit verband naar de mini-documentaire die tijdens het plenaire programma werd getoond. Hierin lieten een gemeente, schuldhulpverleningsorganisatie en incassobureau zien hoe zij laaggeletterden kunnen helpen en tegelijkertijd hun eigen dienstverlening verbeteren. “De uitdaging is om dit soort voorbeelden over heel Nederland te verspreiden.”

Op basis van deze analyse gaan de medewerkers van Tel mee met Taal de komende maanden verder aan de slag met een nieuw, ambitieus programma. Dit verschijnt in het voorjaar van 2019.

Sylvia van Luijk, gemeente Rotterdam

‘Geen wedloop’

“Ik herkende in het landelijke toekomstbeeld veel van wat we in Rotterdam willen doen. Gelijktijdige verdieping en verbreding van netwerken is bij ons ook aan de orde. En ondersteuning op verzoek, wie kan daartegen zijn? De verschillende discussiestellingen waren wel controversiëler. Ik zou persoonlijk niet blij worden van een systeem met allemaal financiële prikkels en boetes. Aan zo’n wedloop moeten we nooit beginnen.”

Volwasseneducatie

‘Als docent ben je nooit uitgeleerd’

Speciaal voor organisaties die docenten opleiden die cursussen basisvaardigheden aan volwassenen (willen) geven, ontwikkelden het CINOP, ITTA en Freudenthal Instituut ( Universiteit Utrecht) de Modules Basisvaardigheden. Een sneak preview.

Afgelopen jaar zijn de Modules Basisvaardigheden ontwikkeld op basis van het Raamwerk Docent Basisvaardigheden. In dit raamwerk zijn de bouwstenen en hun indicatoren beschreven van de functie docent basisvaardigheden. De modules zijn afzonderlijk van elkaar te volgen en gaan onder andere over de volgende thema’s: samenwerken met vrijwilligers, digitale vaardigheden, rekenen, NT1, coaching en intake.

Bouwstenen

Inmiddels is er door het ITTA en het Freudenthal Instituut een pilot uitgevoerd in opdracht van de gemeente Amsterdam. Een aantal docenten van een docentenopleiding hebben de modules gevolgd en hun eerste ervaringen zijn zeer positief. Elwine Halewijn, directeur volwasseneducatie ITTA: “Het mooie is dat de modules bestaan uit bouwstenen en praktische richtlijnen, zodat je er je eigen kleur aan kunt geven en, niet onbelangrijk, je steeds kunt aansluiten bij actuele ontwikkelingen.”

‘Je kunt je eigen kleur geven aan de modules’

Zelf op zoek

Het is niet noodzakelijk alle modules te volgen. Als een docent al op een andere manier bouwstenen heeft verworven, kan hij deze als het ware afstrepen. Op die manier kan hij een pakket op maat samenstellen. Ook in de module zelf staat maatwerk voorop: de docenten gaan zoveel mogelijk zelf op zoek naar de antwoorden op hun leervragen en zijn zelf verantwoordelijk voor hun leerproces. Halewijn: “Want ook als docent ben je nooit uitgeleerd.”

Eeke Riegen, Stichting Lezen & Schrijven

‘Een mooie mix’

“De modules bevinden zich, zoals de sprekers zelf al aangaven, nog in de verkennende fase. Maar ik zie zeker mogelijkheden voor de toekomst. Mooi uitgangspunt is dat het richtlijnen zijn, een docent heeft zelf vaak al veel expertise in huis, dus dat is een mooie mix. Ik kan me voorstellen dat je dit breed wil aanbieden, dus misschien is een open cursus geen slecht idee?”

Laaggeletterden in beeld

Beter bereik met vijf persona’s

Dat laaggeletterden lastig te vinden zijn, is bekend. Wat mogelijk helpt, is je er bewust van zijn dat mensen die laaggeletterd zijn, elk hun eigen kenmerken hebben en op een andere manier te vinden zijn. En dat de beste manier om iemand te benaderen dus ook verschilt. Dat vergt wel de nodige creativiteit, aldus onderzoekers van Lost Lemon en Muzus, die vijf ‘klassieke’ typen laaggeletterden beschreven.

De vijf ‘persona’s’ zoals de onderzoekers ze noemen, zijn fictieve personages met specifieke kenmerken en een typerend gebruik van communicatiemiddelen. Van die vijf zijn er hooguit twee die uit zichzelf de stap naar een taalcursus zetten. De overige drie persona’s moet je opsporen. “Maar”, zegt Neele Kistemaker, “talige professionals kunnen zich moeilijk voorstellen hoe het is om laaggeletterd te zijn. Taal is voor laaggeletterden bovendien een verboden woord. En relevante organisaties zien het probleem niet altijd.”

Consultatiebureaus

Hoe zorg je dan voor een match? Daartoe hebben de onderzoekers drie pilots uitgevoerd. Hanneke Paul: “De eerste pilot stond in het teken van bewustwording bij vindplaatsen. Bij consultatiebureaus bijvoorbeeld. Hoe kunnen die op subtiele wijze achterhalen of iemand laaggeletterd is? Door niet zelf de weegschaal af te lezen maar dat de cliënt te laten doen.”

‘Talige professionals kunnen zich moeilijk voorstellen hoe is om laaggeletterd te zijn’

Zzp'ers

In de tweede pilot keken de onderzoekers hoe het taalaanbod beter op de behoeften van laaggeletterden afgestemd kan worden. Een samen met de doelgroep ingerichte ‘digibus’ is een aardige oplossing. De samenwerking begint vooraf. Dat voorkomt een hoop verspilling van tijd, energie en geld. In pilot drie was de laaggeletterde het uitgangspunt. Sommige laaggeletterden zijn bijvoorbeeld zzp-er. Boekhouders kunnen helpen deze mensen op te sporen. Die weten precies wie er iedere week met een stapel facturen een kop koffie komen drinken.

Download de strategiekit
De resultaten van het onderzoek en vooral hoe je die in praktijk kunt brengen, staan in de Strategiekit Hoger Bereik.
Compleet met stappenplannen en werkbladen. Hier te downloaden.

Petra Doelen, Lost Lemon

‘Waar liep u vast?’

“Ik ben een van de workshopgevers. We kregen een leuke vraag uit de zaal. Hoe je als telefonische klantenservice van een energiebedrijf laaggeletterdheid kunt opsporen. Doorvragen. Maar kies wel de juiste woorden. Stel, iemand heeft een betalingsherinnering gekregen. Vraag dan niet ‘kon u de brief niet lezen?’ – dan volgt een ontkenning. Met ‘waar bent u vastgelopen?’ kom je veel meer te weten.”

DEEL HET E-ZINE